I Tjing Orakel English

I Tjing Orakel Gids De Zhouyi zonder één auteur

De Zhouyi zonder één auteur

De I Tjing heeft volgens de overlevering drie auteurs en een mythische voorganger. Koning Wen van Zhou, die traditioneel omstreeks de elfde eeuw v.Chr. regeerde, stelde tijdens zijn gevangenschap in Youli de hexagramteksten op, de guaci (卦辞). Zijn zoon, de Hertog van Zhou, voegde de lijnteksten toe, de yaoci (爻辞). Confucius, in de zesde tot vijfde eeuw v.Chr., zou de Tien Vleugels hebben geschreven. De trigrammen zelf worden toegeschreven aan Fu Xi. Een andere, minder gangbare traditie schreef delen toe aan Tang van Shang.

De moderne wetenschap aanvaardt ze niet langer algemeen. De gangbare hedendaagse opvatting is dat de Zhouyi, de oudste kern van het boek, een gelaagd en collectief gegroeid werk is, zonder één individuele auteur. Over die zin bestaat overeenstemming. Over veel van wat erop volgt niet: hoe oorspronkelijk de morele lezing is, wanneer de tekst is samengesteld, en wat de eerste vier tekens van het eerste hexagram betekenen.

Gu Jiegang en het betwijfelen van de oudheid

Gu Jiegang (顾颉刚), geboren op 8 mei 1893 en gestorven op 25 december 1980, richtte met een reeks brieven, gepubliceerd vanaf 1923, de Yigupai op (疑古派, de school van het betwijfelen van de oudheid, ook wel de Doubting Antiquity School). Hij betoogde dat de gangbare kennis over de Chinese oudheid in opeenvolgende lagen was opgebouwd, in precies omgekeerde volgorde van hun werkelijke ontstaan: hoe later een bron, hoe verder terug in de tijd, en hoe uitgebreider, de oudheid die zij beschreef. Zijn artikelen verschenen als het meerdelige Gushi Bian (古史辨, Debatten over de Oude Geschiedenis), zeven banden tussen 1926 en 1944.

In 1929 publiceerde hij in het Yanjing Journal 周易卦爻辞中的故事 (Verhalen in de hexagram- en lijnteksten van de Zhouyi), waarin hij de kernteksten dateerde aan de hand van historische verwijzingen erin. Het artikel trok brede aandacht. In 1931 bundelde hij zestien Zhouyi-artikelen uit december 1926 tot december 1929 in deel drie van de Gushi Bian. Zijn these was dat de Zhouyi in de kern een waarzeggersboek was, en dat latere auteurs een doorlopende overlevering van Fu Xi via koning Wen fabriceerden om het gezag van de tekst te vergroten. Yang Qingzhong (杨庆中) maakt op 中国社会科学网 (Chinese Social Sciences Net) expliciet dat Gu daarmee de heilige status van Fu Xi en Shennong wilde ondergraven en de Zhouyi als in oorsprong divinatietekst wilde herstellen, los van de Tien Vleugels. Die Vleugels, met name de Xici, dateerde Gu van de periode van de Strijdende Staten tot de Han-dynastie, met een naturalistische, taoïstisch getinte inslag, in plaats van als het werk van Confucius.

Zijn leerling Li Jingchi (李镜池) verfijnde de aanpak met een taalkundig argument. Hij vergeleek het teken zhen (貞, raadplegen door divinatie) in orakelbotinscripties met dat in de Zhouyi, en concludeerde dat de kern een divinatieboek was. De Tuan- en Xiang-commentaren dateerde hij in de overgang van Qin naar Han, de Xici in de tijd van Sima Qian of iets later. De Gushibian-school verwierp de harmoniserende lezing die klassieke tekst en commentaar als één geheel behandelde. Zij zag losse, in oorsprong niet-symbolische divinatieaantekeningen, waarop later een filosofische duiding is gelegd. Liu Dajun (刘大钧), zelf hoofd van een onderzoekscentrum in Shandong, beschrijft hoe deze school de overgangsperiode van de jaren 1900 tot de jaren 1940 inluidde: van eerbiedige naar, in zijn woorden, "objectieve, onpartijdige, niet-emotionele" Zhouyi-studie, in een vierfasenmodel van de twintigste-eeuwse Yixue. In dezelfde filologische lijn, van vóór de communistische periode, schreef Wen Yiduo (闻一多), dichter en geleerde, in april 1941 in Kunming zijn Zhouyi Yizheng Leizuan (周易义证类纂). Hij verklaarde de tekst uit historische gebeurtenissen, meed numerologie en abstracte filosofie, en claimde meer dan honderd verbeteringen op traditionele commentaren, waarvan negentig na selectie werden opgenomen. Volgens Chinese boekbesprekingen prees Li Jingchi dit werk als rijker aan subtiele inzichten dan het vergelijkbare werk van Guo Moruo, vanwege Wens filologische exegese.

De Engelstalige moderne school

Arthur Waley (1889-1966) publiceerde in 1933 The Book of Changes in de Bulletin of the Museum of Far Eastern Antiquities in Stockholm, deel 5, pagina's 121-142, zijn eerste strikt wetenschappelijke publicatie over het onderwerp. Beïnvloed door de Franse sinoloog Marcel Granet betoogde hij dat de cryptische Zhouyi-tekst restanten van volksorakels bevatte, met parallellen in Engeland, Europa, Afrika, China en Japan.

Vijftig jaar later verschenen twee Engelstalige proefschriften die het veld ingrijpend vernieuwden. Edward L. Shaughnessy, geboren op 29 juli 1952, promoveerde in 1983 aan Stanford University op The Composition of the Zhouyi. Hij studeerde theologie aan Notre Dame (bachelor in 1974), Chinees in Taiwan en Japans in Kyoto, en is de Lorraine J. and Herrlee G. Creel Distinguished Service Professor of Early Chinese Studies aan de University of Chicago. Op basis van vergelijking met bronzen inscripties (jinwen) dateert hij het samenstellen van de Zhouyi in het laatste kwart van de negende eeuw v.Chr., tijdens de vroege regeringsjaren van koning Xuan van Zhou (regeerde ca. 827-782 v.Chr.). Richard Alan Kunst promoveerde in 1985 aan de University of California, Berkeley, op The Original Yijing: A Text, Phonetic Transcription, Translation, and Indexes, with Sample Glosses. Volgens een bespreking op de site Online Clarity bood hij het proefschrift zelf aan als "a kit of tools for the future analysis of the original Yijing", en wees hij onder meer op het feit dat de hexagrammen in paren voorkomen, en in bepaalde gevallen ook hun lijnen.

Richard Rutt (1925-2011), Brits bisschop en sinoloog, publiceerde in 1996 The Book of Changes (Zhouyi): A Bronze Age Document, een vertaling die de Zhouyi expliciet plaatst als koninklijk waarzeggersdocument van de Zhou-staat, los van de latere filosofische duiding, en als eerste Engelse vertaling de oorspronkelijke Chinese rijmpatronen in berijmd Engels probeerde weer te geven. Volgens een vakbespreking van de Mawangdui-tekst bekritiseerde Rutt sommige van Shaughnessy's vertaalkeuzes en achtte hij op punten alternatieve, taalkundig sterker onderbouwde interpretaties mogelijk. Omgekeerd verdedigde Shaughnessy ongebruikelijke lezingen in die zijden tekst niet als kopiistenfouten, maar als mogelijk teruggaand op een verder onbekende, op zichzelf goede tekstvariant. Dezelfde bespreking merkt op dat Shaughnessy's these van een in fasen ontwikkelde divinatiepraktijk, afgeleid uit de Zhouyi zelf, door andere vakgenoten niet algemeen wordt aanvaard, ook al wordt ze in populaire weergaven soms als vaststaand gepresenteerd.

Leg je deze reeks naast Gu Jiegangs artikel uit 1929, dan valt op dat de Engelstalige moderne school tot dezelfde kernpositie komt: de Zhouyi is in oorsprong een divinatieboek, de filosofie komt later. Waley publiceerde vier jaar na Gu, de twee proefschriften een halve eeuw daarna. Onze lezing: de kernpositie van de Engelstalige moderne school was in het Chinees al in 1929 geformuleerd. Wat de proefschriften toevoegden is methode en datering, niet de stelling zelf. Liu Dajuns periodisering, die de wending van eerbied naar kritiek al in de jaren 1900 tot 1940 plaatst, wijst in dezelfde richting. Zowel Kunst als Shaughnessy schreven hun proefschrift voordat bruikbare transcripties van de Mawangdui-zijden Zhouyi beschikbaar waren; die kwamen pas rond 1993, bijna twintig jaar na de opgraving van 1973.

Vroege Westelijke Zhou of koning Xuan

Over de datering van de kerntekst lopen de posities van gezaghebbende specialisten uiteen, en geen van die posities is de communis opinio. Chinese geleerden in de lijn van Gu Jiegang plaatsen de hexagram- en lijnteksten in de vroege Westelijke Zhou, ruwweg de elfde tot tiende eeuw v.Chr. In Chinese vakartikelen onderschrijft Li Xueqin (李学勤), vooraanstaand historicus van de vroege Chinese oudheid en directeur van het Centrum voor Onderzoek en Behoud van Opgegraven Teksten aan Tsinghua University, die conclusie. Hij noemde die datering een die door vakgenoten wordt vertrouwd, en in essentie het gevestigde tijdskader voor de Zhouyi-kerntekst. Volgens die artikelen meent de meerderheid van hedendaagse Chinese geleerden dat de hexagram- en lijnteksten in de vroege Westelijke Zhou tot stand kwamen, terwijl de meeste onderdelen van de Yizhuan, de Tien Vleugels, tijdens de periode van de Strijdende Staten hun vorm kregen. Details blijven onderwerp van discussie.

Shaughnessy dateert specifieker, en met een andere methode: niet interne tekstvergelijking in de trant van Gu en Li Jingchi, maar vergelijking met bronzen inscripties, uitkomend op het laatste kwart van de negende eeuw v.Chr. Andere westerse geleerden houden een ruimere marge aan, ergens tussen de tiende en de vierde eeuw v.Chr.

Dat wijst erop dat het veld het over één ding eens is en over het volgende niet. Eens: de Zhouyi is geen werk van koning Wen, de Hertog van Zhou en Confucius als drie opeenvolgende individuen. Niet eens: wanneer de kern precies is samengesteld, en in welke fasen. De mythe dat er wetenschappelijke consensus bestaat over wie de Zhouyi geschreven heeft en wanneer precies, houdt alleen stand als consensus wordt verward met het verwerpen van de traditionele toeschrijving.

Vier tekens aan het begin van Qian

De tekens yuan heng li zhen (元亨利贞) openen de hexagramtekst van het eerste hexagram, Qian. Al in de zesde eeuw v.Chr. golden ze als een belangrijk aandachtspunt bij de uitleg van de Zhouyi. De klassieke lezing als vier deugden gaat terug op het Wenyan-commentaar, een van de Tien Vleugels, van vóór de Han-dynastie: yuan als het eerste en voornaamste aspect van goedheid, heng als het samenkomen van voortreffelijkheden, li als de harmonie van al wat juist is, en zhen als het vermogen tot handelen. Zhu Xi las in de twaalfde eeuw, volgens een studie over de vertaling van de vier tekens, li zhen (利貞) als "het voordelige ligt in het juiste". Hij splitste de vier tekens in twee paren: yuan-heng en li-zhen.

Gao Heng (高亨), geboren op 29 juli 1900 en gestorven op 2 februari 1986, filoloog en paleograaf, hoogleraar aan Shandong University vanaf 1953 en vanaf 1957 verbonden aan het Instituut voor Filosofie van de Chinese Academie van Wetenschappen, brak met die morele lezing. Hij las zhen primair als geschikt om te raadplegen door divinatie (筮问), niet als correctheid in morele zin. Die interpretatie staat in het hoofdstuk 元亨利贞解 (Verklaring van yuan heng li zhen) in zijn boek 周易古经今注 (Moderne annotaties bij de oude Zhouyi-klassieker), een van de invloedrijkste twintigste-eeuwse Chinese Yijing-studies.

In deze filologische, niet-moralistische lezing, gedeeld door onder meer Li Jingchi en in het Engels door Shaughnessy, betekenen yuan en heng samen "aanvankelijke ontvangst" (van een offer), en li en zhen "gunstig voor verdere raadpleging". Zhen behoudt hier zowel de betekenis van raadplegen door divinatie als van rechtmaken of corrigeren. De precieze Engelse formulering van Shaughnessy's these is in de hier gebruikte bronnen alleen via een encyclopedische samenvatting te geven, niet uit zijn eigen boek; de kern van de interpretatie wordt wel zelfstandig gedragen door de lijn van Gao Heng. Er bestaat geen consensus over de exacte interpunctie: vier deugden als één geheel, of twee paren. Vakliteratuur benadrukt dat de vertaling open en veelzijdig blijft, en dat vertalers de oorspronkelijke betekenis en de latere gelaagde interpretaties naast elkaar moeten laten bestaan.

Onze lezing: het grote debat over de hele Zhouyi steekt al in de eerste vier tekens van het eerste hexagram. Als Gao Heng, Li Jingchi en Shaughnessy gelijk hebben dat het een divinatieformule is, dan is de Wenyan-lezing als vier deugden zelf de filosofische laag die de moderne school later over de hele tekst beschrijft. Het omgekeerde blijft mogelijk: wie de Wenyan volgt, leest die vier tekens als bewijs dat de morele zin van meet af aan in de kern zat. De tekens beslissen de strijd niet. Ze zijn de strijd in het klein.

Wat de zijden Zhouyi veranderde

In 1973 werd in graf 3 van Mawangdui, gesloten in 168 v.Chr., bij Changsha, een zijden Zhouyi-manuscript opgegraven met meer dan twintigduizend tekens: kerntekst en commentaren, in een andere hexagramvolgorde en met deels andere tekens dan de ontvangen tekst. De vondst gold als de belangrijkste tekstvondst sinds de muurvondst in het huis van Confucius in de Han-dynastie, de Jizhong-bamboestrips in de Jin-dynastie, en de Dunhuang-rollen in de late Qing.

Liao Mingchun (廖名春), hoogleraar geschiedenis aan het Centrum voor Onderzoek en Behoud van Opgegraven Teksten aan Tsinghua University, was een van de eerste onderzoekers die het commentaargedeelte, de Yizhuan, van Mawangdui ontcijferde en publiceerde. Hij werkte kwesties uit als het auteurschap van de ontvangen tekst en commentaren, het ontstaan van de hexagrammen, de hexagramvolgorde, de hexagramnamen en tekstvarianten. Zijn verzamelde studies verschenen als 帛书《周易》论集 (Verzamelde essays over de zijden Zhouyi) bij Shanghai Guji Chubanshe in 2008. Zijn werkterrein omvat ook de Guodian-teksten en de bamboestrips van het Shanghai Museum. Naast Mawangdui zijn later de bamboestrips van dat museum, aangekocht in 1994, en de Guicang-achtige bamboeteksten van Wangjiatai relevant. Deze vondsten worden in de vakliteratuur gebruikt om te bevestigen dat de Zhouyi in min of meer haar huidige vorm al rond 300 v.Chr. bestond, ook al bleven er in de periode van de Strijdende Staten nog tekstvarianten in omloop.

Leg je de datering van de transcripties, rond 1993, naast de proefschriften van 1983 en 1985, dan valt op dat de twee proefschriften die het Engelstalige veld vernieuwden tot stand kwamen zonder de belangrijkste opgegraven getuige. Chinese geleerden als Liao Mingchun konden het debat over auteurschap, volgorde en varianten daarna opnieuw opbouwen vanuit een manuscript. Dat wijst erop dat wie de westerse lijn bij 1983 en 1985 laat ophouden, een filologische laag mist die na de zijden vondst centraal is komen te staan.

Orakelhandboek of wijsheidsboek

De kernvraag in het vak is of de Zhouyi oorspronkelijk een praktisch waarzeggershandboek was dat pas later, via de Tien Vleugels, een filosofische wijsheidslaag kreeg, of dat er van meet af aan een diepere, morele of kosmologische bedoeling in besloten lag. De heersende moderne consensus, bij Gu Jiegang, Li Jingchi, Waley, Kunst, Shaughnessy en Rutt, is de eerste positie: de kernteksten zijn oorspronkelijk divinatieaantekeningen; de filosofische laag is een latere toevoeging, van de Strijdende Staten tot de Han, via de Tien Vleugels.

Die spanning is ouder dan de twintigste eeuw. Binnen de Chinese exegetische traditie stond de Xiang-Shu-school (beelden en getallen, 象数), die de tekst via symboliek en numerologie benaderde, tegenover de Yi-Li-school (betekenis en principe, 义理), die de tekst als moreel-filosofische gids las. Wang Bi, in de derde eeuw, schoof de numerologie terzijde en integreerde de Tien Vleugels in de kerntekst. Cheng Yi, in de elfde eeuw, las de tekst als gids voor morele perfectie en goed bestuur. Zhu Xi, in de twaalfde eeuw, synthetiseerde de Han-scholen en herstelde, of reconstrueerde, een duizendblad-orakelprocedure die tot vandaag wordt gebruikt.

De mythe dat de Tien Vleugels door Confucius zelf zijn geschreven, en de Zhouyi dus in essentie een confuciaans boek is, houdt geen stand. Zowel de Gushibian-school in de jaren twintig en dertig als latere westerse filologie plaatst de Vleugels grotendeels in de periode van de Strijdende Staten tot de Han, eeuwen na Confucius, met in bijvoorbeeld de Xici eerder een taoïstisch-naturalistische dan een zuiver confuciaanse inslag. De toeschrijving aan Confucius is inmiddels geen gelijkwaardige academische tegenpositie meer; het is een verworpen stelling die in populaire en sommige neo-confucianistische kringen voortleeft. Onze lezing: Wang Bi maakte de filosofische lezing inheems door de Vleugels in de kern te schuiven, en Zhu Xi hield tegelijk het orakel in leven door de telmethode te reconstrueren. De Chinese traditie heeft niet gewacht tot Gu Jiegang om met beide gebruiken te leven. De moderne stelling orakel eerst en Zhu Xi's herstelde procedure zijn geen tegenpolen. Beide nemen het waarzeggen ernstig. Ze verschillen over de vraag of de morele lezing oorspronkelijk was. Wie vandaag een vertaling openslaat, leest meestal beide lagen tegelijk. Dat is geen gebrek aan zuiverheid. Het is de geschiedenis van de tekst, in één blik.

Bronnen

Het oude ritueel Werp de duizendbladstelen Stel je vraag en bouw je hexagram lijn voor lijn op, met de klassieke kansverdeling.

Verder lezen

Terug naar de gids